Tell, Don't Show, editie 2: De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése

Tell, Don't Show, editie 2: De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése


Om de week een roman (of dichtbundel) in tien quotes, die alles zeggen over stijl en zeggingskracht van het boek - no spoilers. Deze week De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése, verschenen bij Atlas/Contact, anno 2015.

 

1

Normaal wordt de vaargeul voor zwemmers te gevaarlijk geacht. Er zijn stromingen en draaikolken. Die trekken je naar beneden, naar een onbekende onderwereld, waar je wordt uitgewist. Hij denkt aan de gefluisterde verhalen over verdronkenen wier karkassen op de bodem rusten, kaalgevreten door vette alen. Mannen, vrouwen, jongens ook. Hun namen kent hij niet, alleen hun lot. Niet aan denken, aan die ontmenselijkte duisternis onder zich, waar zijn lichaam door niets van gescheiden wordt gehouden. Met het hoofd boven water, nog net op de bodem van de hemel, zodat de blauwogige God hem kan blijven volgen in het al vervagende donker, dat nu duidelijk afsteekt tegen het donkerst van de rivier. (13)

 

2

Door zichzelf te redden verraadt hij zijn vader. Dat besef wordt als een spijker zijn kop in gehamerd, tot het erin vastgenageld zit. Door verder te leven aanvaardt hij diens verdwijning. Terwijl hij zich juist tegen de tijd moet verzetten, zodat papa de kans krijgt om zich weer bij hem aan te sluiten. Dus niet weglopen, zoals hij nu doet. Niet achter die onbekende mensen de dijk op klauteren. (38)

 

3

Met verbijstering ziet hij hoe naast zich op de achterbank Vic zit te genieten van elk moment in dit nieuwe, onbekende land. Zij wel. Ze laat zich overweldigen door de hitte, de stoffige aarde, de ongeremde lichamelijkheid waar ze in terecht zijn gekomen en die in niets herinnert aan thuis. Hij benijdt haar vermogen om vrij te kunnen zijn, zich te verliezen. Hij verliest zichzelf nooit. Hij blijft altijd met zichzelf opgescheept, waar hij ook is. ( 64)

 

4

Als hij overeind komt en op de rand van het bed gaat zitten, zie hij dat Vic op het nachtkastje een portret van de bleke negerjongen naast dat van hun dochter heeft gezet. Het is de officiële foto zoals die door het adoptie-bureau wordt verstrekt. ‘Votre fils adoptif’ staat er in drukletters boven. En eronder, in een schoonschrift dat onmogelijk van de jongen zelf kan zijn, een naam: ‘Salif’. Het is de belettering van getuigschriften en diploma’s die op Tin echter het omgekeerde effect heeft: het wekt de gedachte aan fraude en bedrog. Ik ben uw zoon, zegt het portret, maar Tin weet wel beter. Het lijkt wel of hij een ziekte heeft, denkt hij, met die vale huid en die fletse kroesharen.
‘Wat een schatje hè?’ zegt Vic met een trots die moeilijk te plaatsen valt.
Hij walgt ervan dat ze deze jonge witte neger als een zoon ziet. Hij wil ook liever niet dat diens portret naast dat van Nikki staat, als een idiote parodie op de familieband. Maar hij houdt zijn mond, hij waagt het niet haar in haar schraal uitgevallen moederschap te kwetsen. (71)

 

5

En opeens is daar de rivier, weidser dan hij zich had voorgesteld, zilverig schitterend in het zonlicht. Een ontzaglijke watervlakte, die zich in heiige einders verliest. ( 91)

 

6

Zich herinneren betekende altijd: zich verwijderen. Al die dagen, al die jaren is zijn vader almaar verder achteropgeraakt. Elke terugkeer vergrootte de afstand. Totdat de herhalingen van de onachterhaalbaar voortstromende rivier van de tijd hem hebben uitgewist. Maar ook is hij al die tijd bang voor hem geweest, voor de dode die hij langzamerhand geworden is, de vloeibare watergeest, de onderwaterzwemmer. En nu, hier, in dit verzonnen land zonder plaatsnamen, verder weg dan ooit, is hij er weer – in al zijn afwezigheid. Hij mist hem alsof het hier, op de rivier, is gebeurd. Alsof hij zich maar hoeft onder te dompelen om hem te vinden. Hier, waar ze zelf nooit waren. Niet dat hij het begrijpt, maar hij voelt dat hij het begrijpt. Niet het overweldigende van het verlies, maar de futiliteit ervan. Je kijkt, je kijkt nog een keer, en er is niets. Nooit geweest ook. De nacht valt en als het ochtend wordt, heeft het nooit bestaan. Flikkering van zonlicht op water.
Hij heeft zijn vader niet teruggevonden, hij is hem eindelijk geworden. (96)

 

7

Zijn lieve, sterke Vic. Hij benijdt haar optimisme, die gave om in het donker de zon al weer te zien schijnen. Hij heeft ook met haar optimisme te doen, dat gebrek om in te zien dat ons leven zich niets van ons aantrekt. Arme, onnozele Vic, wij zijn pluisjes die onze eigen koers denken te bepalen in de wind die ons meevoert. Een alternatief heeft hij overigens niet, dat is de makke van het pessimisme, zodat hij zich laat leiden door haar, waarheen de wind haar ook blaast. En zolang je samen ergens heen wordt geblazen, heeft de willekeur nog iets van een plan. (113)

 

8

Je moet het onheil misleiden, je moet het niet de juiste woorden geven. Zodra het een naam heeft, wordt het een feit. Zie het dan nog maar weg te krijgen. Beter kan eerst de nacht vallen en de tijd uitvagen. Er is nu toch niets wat ze kunnen doen. Beter is het om even nergens aan te denken, zodat het ook niet aan jou denkt. Doorrijden maar, en hopen dat het niet waar is. Laat de nacht over ons komen en alles oplossen, zodat we wie weet morgen ons leven ongeschonden terug zullen vinden. (202)

 

9

Zijn leven voltrekt zich al zijn leven lang buiten hem om. Het speelt zich in het verborgene af. Een niet te omhullen geheim. Het is er, maar het blijft onbereikbaar. Het komt erop aan zich hiermee te verzoenen. Een levend geheim ben je, op weg naar de onbegrijpelijke dood. Je hele leven ben je bezig om iets te verliezen wat je nooit hebt bezeten. Waarom zou je je daar dan op het laatste moment druk over gaan liggen maken? Je had het immers toch al nooit. De nabijheid is alles wat je vergund is geweest. Je bent een tijdje nabij geweest, dat noem je liefde, of geluk, en daarna ben je weer alleen. Overigens, wie zegt dat die nabijheid niet juist in het sterven terug te vinden zal zijn? Amor fati. Dichter bij het verborgene kun je niet komen. (230/231)

 

10

Tin weet niet meer wat hij hoort. Afwezig incasseert hij de complimenten. Zoveel eer, hij weet zich er geen raad mee. Het is alsof het over een ander gaat. Hij kijkt naar de jongen en even is het of hij zichzelf ziet, helemaal naar de overkant van de oceaan van de tijd gekomen, om te zeggen dat het nu lang genoeg heeft geduurd, dat hij nu eindelijk terug mag, dat zijn verbanning is opgeheven. Tim, zegt de jongen die hij zelf is, je mag thuiskomen. (252)

 

 

Meer weten over P.F, Thomése en/of De onderwaterzwemmer? Check: http://www.thomese.nl/

Gepost op: 2015-06-08 in: boeken

Recente posts

OvG @Twitter

Featured posts