Tell, don't show, editie 8: Geert van Oorschot, uitgever door Arjen Fortuin

Tell, don't show, editie 8: Geert van Oorschot, uitgever door Arjen Fortuin


Tell, don't show: om de week een roman (of dichtbundel, of nonfictie boek) in tien quotes, die alles zeggen over stijl en zeggingskracht van het boek – no spoilers. Deze week Geert van Oorschot, uitgever van Arjen Fortuin, verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot, anno 2015.

1.

Ik dwaal en ik zwerf zo geren,
Door brede duinen heen;
Als ik eind’lik heb gevonden
De eenzaamheid alleen.

Ik voel me gelukkig en blijde,
In duinen, vol van pracht;
Als ik weer eens denken kan aan
Dingen, waar ik reeds aan dacht.

Ik ben niet alleen in mijn eenzaamheid;
De duinen, de wolken, de wind:
Ieder van hen is mij een vrind.

Ik ben gelukkig met een kleinigheid;
Als de eenzaamheid me vindt
Voel ik me een duinenkind.

(32)

 

2.

Samen met zijn broer Adrie, die in 1935 zijn vijftiende verjaardag vierde, slaagde hij erin zijn boeken aan de man te brengen. Ze trokken langs de socialistische kringen die ze kenden, maar in de herinnering van Adrie ook naar villa’s waarvan de bewoners zich vergeefs probeerden te verstoppen voor de niets ontziende boekenverkoper: ‘Een keer kwamen we bij een dure meneer, een havenbaron, die in een villa in Wassenaar woonde. Die man had ons al uit de verte aan zien komen, want we zagen hem gluren achter de gordijnen. Het dienstmeisje dat opendeed zegt: “Meneer is niet thuis”, waarop Geert met zijn stentorstem uitriep: “Dan is meneer zeker zijn kop vergeten, want die stond achter het raam.” En hij stapte naar binnen. Hij vond het zo’n schande als iemand geld had en toch niet bij ’m kocht. Die mensen hadden in zijn ogen de verplichting om goede boeken te lezen. Die man stond met z’n tennisracket in de hal en Geert ging niet eerder weg dan dat hij van ’m gekocht had.’ (84)

 

3.

Zo was het bestaan van Geert van Oorschot veranderd. Van een zoekende jongeman die steeds weer zijn hoofd stootte, was hij dertiger en vader van twee kinderen geworden, een man met verantwoordelijkheden en een auto. ‘Nadat de osp achter me lag, ben ik uiteindelijk aan mezelf toegekomen,’ schreef Geert van Oorschot aan zijn vriend Jan Mourits. ‘Ik ben eigenlijk niet veranderd, doch ik ben geworden, die ik was. Niet meer is de hartstocht, het ongebreidelde zich neerstorten in het leven, de enige stroom die mij voortbeweegt. Enig evenwicht, en een klein beetje wijsheid heb ik na pijnlijk en moeitevol worstelen, veroverd.'

Hij was geworden wie hij was: Geert van Oorschot, uitgever. (100)

 

4.

Want voor Hillie was de jonge uitgever onweerstaanbaar. En de elf jaar jongere Hillie was alles waar Geert van kon dromen: intelligent, belezen en beeldschoon – zij symboliseerde het tegendeel van het zwijg- en kibbelhuwelijk waaraan hij zich ontworstelde. Het ging dan ook snel. Nog voor de zomer van 1943 vonden ze een huisje aan de Oude Schans in Amsterdam, voor 32 gulden per maand. Geert had eindelijk zijn grote geluk gevonden. ‘We hebben vanavond,’ schreef hij in de nazomer van 1943 aan zijn vriend Bertus Aafjes, ‘Hillie en ik, zo onbedaarlik gelachen en plezier gemaakt. We hebben elkaar nagezeten, dat de stoelen in de kamer uit het gelid vlogen en de tafel onbehoorlik in de hoek werd gezet. Ik heb gelachen als in geen jaren en moegeraast heb ik mijn vrouw zacht gekust.’ (112)

 

5.

"Het ruikt hier naar geparfumeerde kattenpis – ieder hotel heeft zo de lucht van burgerlijke ontbinding [...] Jullie kent Enschede natuurlijk niet, maar deze stad is troostelozer dan een ruïne. Ik ben hier voor ‘zaken’ en dat is ook al niet erg opbeurend. Boeken lezen is heerlijk, boeken uitgeven naar eigen voorkeur verrukkelijk, maar boeken verkopen aan lui voor wie alleen de toonbank en de winkella gelden, is soms erger dan ’t schavot. 

En in plaats dat ik met mijn auto alle winkelpuien aan spaanders rij, schud ik handen en sluit ik orders af." (186/187)

 

6.

Geert hield zijn hele leven een wat dubbelhartige verhouding tot zijn overgebleven zus en zijn broer. Mieke was al kort na de oorlog verlaten door Han Bentz van den Berg en heel veel contact had Geert niet met zijn zuster. Toch deed zij bij tijd en wijle een beroep op hem, waarbij zijn verantwoordelijkheidsgevoel al snel de vorm kreeg van een zekere bazigheid en de mededeling dat zij beter voor zichzelf moest zorgen. Intussen kon hij zich maar moeilijk voorstellen hoe een vrouw alleen leefde. Na een blik op het fornuis van Mieke schreef hij Hillie eens: ‘In het braadpannetje lag één bal. Een akelig gezicht. Bijna nog erger dan een méns alleen.’ (188)

 

7,

De Vlaamse dichter Jan van Nijlen was met zijn eenvoudige verzen een nog grotere liefde van Van Oorschot dan Richard Minne. De uitgever kwam al jaren geregeld bij Van Nijlen over de vloer, had hem indertijd de kolommen van Libertinage binnengeloodst, maar de weg naar het fonds van Van Oorschot was daarna nog lang. Dat Van Oorschot hem wilde hebben had weinig met winstoogmerk te maken (een Vlaamse dichter bleef een Vlaamse dichter) en alles met bewondering. De in 1949 gepensioneerde Van Nijlen koesterde zijn isolement – veel anders om te koesteren bezat hij na zijn pensionering ook niet meer. Telefoon, auto of bankrekening had hij niet.33 Verzoeken om naar Nederland te komen, legde de dichter meestal naast zich neer. De rust van de oude Vlaamse dichter deed de overactieve Amsterdamse uitgever altijd goed. Ze brachten lange, melancholische avonden door, waarin drank niet onbelangrijk was en waar Van Oorschot nog lang en graag over zou vertellen.

‘Ik herinner me een nacht, dat ik met Jan van Nijlen, in regen en sneeuw, van ’s avonds elf uur, toen we dronken uit een café kwamen, tot ’s morgens vier uur in Brussel hebben rondgereden in mijn automobiel. Jan wou niet meer naar huis [...] en hij wist de weg niet meer, ik moest steeds weer nieuwe hoeken omslaan, en hij wou niet dat ik iemand om de weg vroeg, hij wilde wel dat ik een klikobak omver reed, deze beminnelijke en zachtaardige anarchist.’ (296/297)

 

8.

Voor zover mijn herinnering teruggaat en bewust van mijzelf is, kan ik mij niet anders herinneren dan dat ik altijd en eeuwig heb moeten zoeken naar liefde (of wat daarvoor doorgaat, d.i.: één of meerdere personen die lief voor je zijn, die je verzorgen, die je waarderen om wat je werkelijk bent.) 

Wat de huidige mens echter verbergt achter het woord liefde is zo erg verward en doorregen met motieven en beweegredenen, die daar niets mee uitstaande hebben dat ik tot de overtuiging ben gekomen dat wat men liefde noemt niet meer bestaat.

Wat de mensen ook niet meer kunnen (of willen) is te trachten elkaar te begrijpen en (daaruit voortvloeiend) elkaar te helpen. Men discussieert wel en men bedrijft wel psychologie, maar gevoelsmatig interesseert geen enkel mens zich voor de ander, althans ik heb de mens die dat wel doet nog nooit gezien, zelfs niet uit de verte.

Ik heb er rust mee, dat dat niet bestaat, maar ik heb geen behoefte om nog langer mijn leven daardoor te laten verpesten.

Misschien dat mijn dood de betrokkenen bij mijn leven eindelijk kan doen beseffen, wat ik allemaal heb gevoeld en gedacht en heb proberen duidelijk te maken aan deze betrokkenen, maar wat zij nooit in zijn volle omvang hebben begrepen.

Het is jammer, ik had graag het leven, zoals ik mij dat voorstel, willen leren kennen. Jammer genoeg heb ik daar de kans niet voor gekregen. Dit is een verwijt.

Ik rook nog één sigaret en dan ben ik er tenminste van af. (340/341)

 

9.

Het drinken – waar hij zich na de dood van Guido zo mateloos in had  – hield hem ook nu bezig. Op een avond in april keek hij op de televisie naar de halve finale van de Europa Cup I tussen Ajax en Nottingham Forest (1-0). ‘Nadat ik de wedstrijd had uitgekeken, ben ik aan de huiskamertafel blijven zitten. Er stond al vele dagen een ongeopende fles wijn op tafel. Die heb ik eindelijk maar eens opengetrokken. Ik haalde uit het kabinet twee prachtige kristallen glazen. Dat ik dit gedaan had merkte ik pas toen ik moest inschenken. Uit wanhoop heb ik beide glazen maar tot de rand volgeschonken. En ik heb beide onmiddellijk ad fundum geledigd. [...] De hele verdere nacht ben ik aan die huiskamertafel blijven zitten. Zo maar zitten, en niets doen. Niet lezen, want ik had geen ogen, niet schrijven, want ik had geen vingers en geen pen. Tegelijk weten: het drinken niet toelaten. Elke dag en elke nacht bezopen raken, lost niets op. Omdat ik dat weet, en mezelf niet belazeren wil, overkomt mij dat ook niet. Hoewel het verlangen naar niet meer te weten, niet meer te voelen, geen pijn en geen herinneringen meer te hebben, en bevrijd te zijn van alle reële en onreële schuldgevoelens aanstekelijk is, dwz dat een mens het liefst en direct dood wil. Een mens, dwz: ik.’ Oorschot deelde veel met Goedegebuure – en niet alleen zijn zelfbeklag. Zo kon hij zijn jongere vriend ook ’s avonds laat opbellen met de aansporing: ‘Denk je aan mij, als je hem er vanavond bij je vrouw insteekt?’ ((515/516)

 

10.

'Het leven is moeilijk.' (611)

 

 

Meer over het boek hier.

Bekijk hier het interview met Arjen Fortuin bij DWDD.

Gepost op: 2015-11-25 in: boeken

Recente posts

OvG @Twitter

Featured posts