OvG

Het Grote Vertellen: over Eddy de Wind, Spätfolge en de tweede generatie

Artikel



Aan het slot van Eindstation Auschwitz, het kampdagboek van Eddy de Wind dat deze maand opnieuw is uitgegeven, schrijft hij:

‘Nog tien kilometer en ze zouden vrij zijn. Nee, niet vrij, want ze hadden een taak, een levensdoel dat hen bond. Ze moesten uitschreeuwen wat ze beleefd hadden. Ze voelden zich de apostelen van een wraak, zo grondig, dat de barbarij voor altijd op aarde verdelgd zou zijn. Zo zou de wraak de wereld zuiveren en openstellen voor een nieuw humanisme.’

Het grote vertellen, als vorm van wraak, van genoegdoening; te willen en moeten getuigen: het is de kern van dit oorspronkelijk in 1946 uitgegeven, verpletterende boek. Hierin beschrijft de arts De Wind niet alleen haarscherp hoe het er in Auschwitz aan toeging, maar ook hoe je het kamp kon overleven: door te leven in het ‘hier en nu’, tussen ‘hoop en vrees’. Of nog scherper: je overleeft door geluk, want De Wind was er, na de oorlog, niet van overtuigd dat er überhaupt overlevingsstrategieën in het kamp konden worden toegepast. 

Er waren geen strategieën voor de verwerking van aanvankelijke schok, het scheiden van mannen en vrouwen, de selecties bij aankomst, het afnemen van bezittingen, het tatoeëren. Niet voor de verbijstering, het niet-begrijpen van bevelen, de klappen van medekampbewoners. En niet voor de daaropvolgende aanpassing, je een weg vinden, een manier om te overleven in een toestand die niet anders dan regressief en verdoofd kan worden genoemd.

In een interview met NRC Handelsblad vertelt De Winds zoon Melcher hoe hij naar een film met zombies keek, en zijn vader hem vroeg wat voor wezens dat waren. ‘Toen ik hem uitlegde dat het wezens waren die uit de dood waren teruggekeerd, raakte hij helemaal in de war. Hij liep de kamer uit. Pas veel later realiseerde ik me dat hij zichzelf als een zombie zag. Hij had de dood omarmd om door te kunnen leven en droeg het kwaad dat in hem was geslopen met zich mee.’

Eddy de Wind maakte na de oorlog naam als psychiater en schreef belangrijke essays over de ‘transgenerationele traumatisering’: hoe monumentale rouw en verdriet, al dan niet verwerkt, voortwoekerde in de tweede generatie, de na de oorlog geboren kinderen van overlevenden. Zijn essay Directe en late gevolgen van extreme belastingsituaties – het concentratiekamp uit 1966 laat zien hoe Spätfolge tot stand kwamen: het leven-in-het-hier-en-nu in het kamp, de passieve afhankelijkheid en de verzoening met de dood leidden ertoe dat ‘de oud-gevangene’ na de oorlog ‘alleen kan existeren in zijn kleine, actuele wereldje’.

In 1985 publiceerde seksuoloog en psychoanalyticus Herman Musaph – die ondergedoken had gezeten tijdens de oorlog – het essay Het wonder der herrijzenis. Hierin probeert hij net als Eddy de Wind, met wie hij bevriend was, een antwoord te vinden op de vraag die auteur en Auschwitz-overlevende Jean Améry ooit stelde: ‘Weiterleben, aber wie?’

‘Waar haalt men de energie, moed en de veerkracht vandaan om dit te verwerken?’, vroeg Musaph zich af. Hij kwam met vier (over)levenstrategieën:

1. Extreem actief zijn: hard werken, bewijzen dat het leven zin heeft, niet ziek worden, want dat betekende: vergast worden. Het is ook niet voor niets dat veel overlevenden zeer oud zijn geworden.

2. Extreem passief zijn: je onttrekken aan verplichtingen en het opeisen van verzorging. Door niet te werken bewijst men dat de slogan Arbeit macht frei een leugen was, en poogt men zin te geven aan de dood van hen die de oorlog niet overleefden. Slachtofferschap als vorm van erkenning.

3. Over-aangepast zijn: door te assimileren, door je juist niet als Jood te profileren, hef je de vooroorlogse identiteit op: namen worden veranderd, geloof of overtuiging afgezworen, sporen uitgewist.

4. Sociale isolatie: je afkeren van de maatschappij door je terug te trekken binnen de eigen groep en geen contact met de buitenwereld te onderhouden. De wereld is de vijand.

Musaph noemt nog een vijfde strategie, maar die lijkt door de huidige tijd – getekend door guur populisme, dat de Joodse gemeenschap helaas bepaald niet heeft overgeslagen – ingehaald. Hij spreekt van ‘de voorvechters’: Joden die zich, uit herkenning, profileren bij demonstraties tegen discriminatie en racisme, omdat dat ‘het zelfgevoel verhoogt’ en ‘de overlevingsschuld vermindert’.

Jolande Withuis beschrijft in haar voortreffelijke boek Erkenning (2002) hoe na de oorlog – na aanvankelijke interesse in boeken en getuigenverslagen, die direct na de oorlog verschenen – de ‘jaren van kilte en stilte’ hun intrede deden – al rond 1950. Withuis biedt een aantal plausibele redenen. Ten eerste leefde in Nederland het gevoel flink te moeten zijn, aan te moeten pakken, het land moest weer worden opgebouwd. De maatschappelijke focus lag op daadkracht, niet op reflectie, en al helemaal niet op onaangename, confrontererende en mogelijk ontwrichtende zaken als oorlogsleed. 

Daarnaast was er geen geen collectief narratief over de oorlog, die was nu eenmaal niet voor iedereen hetzelfde verlopen: kampoverlevenden, onderduikers, verzetslieden, geïnterneerden in Nederlands-Indië, ze hadden allemaal hun eigen verhaal. En dan was er de desinteresse van de omgeving, die niet wilde luisteren, niet wilde worden geconfronteerd met het eigen falen. Tot slot was er het gegeven dat de oorlogsslachtoffers vaak niet kónden praten, het leed was ‘te erg voor woorden’. 

Dat alles leidde ertoe dat het gesprek niet binnenshuis noch in het publieke debat plaatsvond, maar slechts in de behandelkamers van psychiaters, zelf soms overlevenden, voor wie het niet eenvoudig moet zijn geweest om met hun patiënt ‘terug het kamp in’ te gaan. Socioloog Abram de Swaan vatte de situatie treffend samen: ‘Wat tussen mensen verzwegen wordt, moet elk voor zich proberen te verdringen.’

Daaraan kunnen we toevoegen: dat wat wordt verdrongen, moet door een volgende generatie worden verwerkt. Wellicht is dat de prijs die de tweede generatie betaalde voor het collectief onvermogen om na de oorlog tot een publiek gesprek te komen.

Op deze wijze werd het krijgen van kinderen een vorm van doorvertellen. Vaak waren dat ‘vervangkinderen’, in meerdere opzichten. Enerzijds om herinneringen aan verlies en dood binnen de familie letterlijk te compenseren, anderzijds om de geschiedenis te corrigeren, het onuitsprekelijke recht te zetten.

Kinderpsychiater David de Levita, die door ‘geluk’ aan de dood ontsnapte omdat hij tijdens een razzia in zijn ouderlijk huis toevallig bij een vriendje speelde, sprak tijdens de Auschwitz-herdenking van 1998 de volgende woorden: ‘Het is goed kinderen te krijgen als men een overschot aan liefde heeft dat men aan iemand kwijt moet. Bekend is de tragedie van mensen die kinderen krijgen omdat ze een tekort aan liefde hebben en denken dat een kind in dat tekort zal voorzien. Dat wordt meestal een catastrofe, want kinderen geven geen liefde, ze geven hooguit liefde terug.’

Het kind is zich van deze al dan niet rationele overwegingen niet bewust. Het groeit op in een wereld vol geheimen, moet de ouders vaak ontzien (leed wordt wel ervaren en beleefd, maar niet gedeeld), heeft moeite de eigen autonomie te bewaken en wordt geacht tradities voor te zetten. Maar tradities van wie, en vooral: waarom? Om alles ‘goed te maken’, zoals Ischa Meijer schreef, of om ‘liefde terug te geven’?

***

Wat ik me herinner is dit.

Landerige zondagmiddagen in Winterswijk, waar ik in de jaren zeventig met mijn ouders en broertje Marco op bezoek ging bij mijn oma Helene of haar zuster Hilde. Beide zussen hadden hun man verloren. Mijn opa werd in 1941, twee maanden na zijn arrestatie, auf der Flucht erschossen in concentratiekamp Mauthausen, en Hilde had haar man verloren in Bergen-Belsen. Zelf had Hilde Auschwitz overleefd, evenals haar zoon Herman Menco. Na de oorlog werd Herman voogd van mijn moeder, die als 3-jarige ondergedoken zat met mijn oma en haar broertje.

Ik wist hier niets van, want in Boskoop, waar ik opgroeide, werd aan tafel gezwegen.

Ook in Winterswijk werd gezwegen: mijn vader verschool zich middagen lang achter de krant, wrokkig persisterend in zijn krenking  – het verhaal ging dat een aantal van de Joodse familieleden dat de oorlog had overleefd, geweigerd had hem de hand te schudden – ze waren het er niet mee eens dat mijn moeder met een goj trouwde.

Ik vond het als kind vreemd dat er nooit verjaardagen werden gevierd aan moederskant. Later begreep ik dat het decimeren van de familie in de oorlog hier debet aan was. De paar overlevenden kwamen dus ook niet op de feestjes en verjaardagen van de andere kant, en zo bleef alles hangen in het luchtledige.

Toch kreeg ik wel íéts mee. De nachtmerries van mijn moeder kwamen ter sprake, en de naam Jan Bastiaans viel, de psychiater die in de jaren zeventig faam had verworven als behandelaar van kampgevangenen en verzetslieden. Met behulp van van lsd liet hij ze terugkeren naar hun ergste, verdrongen herinneringen. Geïntrigeerd door deze mythische figuur ging ik in 1981, toen ik een blauwe maandag onderwijs genoot aan de Bibliotheek- en Documentatie Academie in Den Haag, stage lopen in de bibliotheek op het terrein van de Jelgersmakliniek in Oegstgeest, waar Bastiaans werkzaam was. Mijn moeder is uiteindelijk niet bij hem in behandeling geweest.

Toen ik in 1982 op 17-jarige leeftijd het ouderlijk huis verliet – na eindeloze discussies met mijn vader (mijn moeder hield zich afzijdig) over politieke kwesties. Ik was eigenlijk pro alles wat anti was – ging ik kraken in Leiden. Daarvandaan reisde ik veel naar Winterswijk, waar ik soms wekenlang bij mijn oma verbleef. Vanaf 1985 begon ze te praten: over de oorlog, over Duitsland, over wat er was gebeurd. Ze overleed in 1991. In mij – oudste zoon, hoeder immers van de traditie – werd het zaadje geplant om naar Israël te gaan, Hebreeuws te leren, iets te doen met mijn Joodse ‘identiteit’.

Volgens socioloog Abram de Swaan bestaat die Joodse identiteit overigens helemaal niet. Of je vertrekt als rechtgeaard zionist naar Israël, of je onderwerpt je aan de godsdienstige geboden en verboden. De rest is ‘sentimentalisme’. Ik vermoed dat hij daar, zoals wel vaker, gelijk in heeft.

Niettemin ging ik naar Israël en leerde in drie maanden net genoeg Hebreeuws om me met taxichauffeurs te kunnen onderhouden. Toen ik terugkwam ging ik bij een uitgeverij werken waar ik Israëlische boeken uitgaf, non-fictie op allerlei terreinen die het jodendom raakten (onder meer Gojse nijd & joods narcisme van Evelien Gans) en een heuse Jiddische Bibliotheek.

Ik kon er vorm geven aan mijn literair sentimentalisme.

Wat ik doorstond: een monumentale depressie die rond mijn 15de levensjaar werd ingezet en pas na ruim vijfentwintig jaar werd beëindigd dankzij therapie bij psychiater Louis Tas. De doem, de allesoverheersende zwartheid van het bestaan (in mijn puberteit op het suïcidale af), dat innerlijk vagevuur liet zich alleen afblussen met stuwdammen vol drank en het asfalteren van de longen met sigaretten en joints. Terugkijkend kan ik die doem en het dempen van alles wat met gevoel had te maken, resulterend in sentimentaliteit (bij een goede dronk) en agressiviteit (bij een slechte), niet anders interpreteren dan het troebele residu van nooit ontvangen affect.

In 1992 overleed mijn moeder, na vijf jaar gestreden te hebben tegen kanker. Ik hoorde van haar ziekte toen ik in Israël was, in de kibboets. In die vijf jaar tot haar dood heb ik haar beter leren kennen. We hebben veel gepraat, en misschien heb ik haar ook weer enigszins met haar Joodse geschiedenis weten te verzoenen. Vlak voor haar dood is ze met mijn vader naar Israël geweest, en ik heb nog als postillon d’amour gefungeerd tussen mijn ouders en Herman Menco, met wie alle contact al die jaren lang verbroken was geweest.

Ik had nooit kunnen begrijpen waarom ze geen contact meer had met haar voogd. Ik vond Menco een geweldige man. Praat gewoon met elkaar, leek mij het devies.

In 2009 confronteerde ik mijn vader met wat ik wat ik altijd al vermoedde, en nu door hem werd bevestigd: tijdens de onderduik was mijn moeder misbruikt door de vader des huizes, en diens zoon.

Het onuitsprekelijke werd uitgesproken. Het vanzelfzwijgende (een term van Huyck van Leeuwen) vond zijn weg naar buiten.

Misschien heb ik de ‘glans in de ogen’ (Heinz Kohut) van mijn moeder nooit gezien, of op me gericht gevoeld, maar wat ik wel weet, is dat ik die glans voel in de liefde van het gezin waarvan ik nu zelf deel uitmaak.

***

In zijn essay De grijze laag schreef Primo Levi: ‘Van mensen die in zo’n diep mensonterende toestand hebben verkeerd, kan men geen verklaring in de juridische zin van het woord verwachten; hoogstens iets wat het midden houdt tussen klacht, vloek, boetedoening en een vertwijfelde poging zich te rechtvaardigen, zichzelf terug te vinden.’

En zo is het.

‘Niemand zal jullie geloven’, was het credo van de nazi’s. Aan het eind van de oorlog, op de vlucht voor de geallieerden, werden kampen ontmanteld en bewijs vernietigd – naar men zegt ging 90 procent van de administratie van Auschwitz verloren. Kampbewoners werden vanuit Oost-Europa meegenomen naar het Duitse binnenland, om geen menselijke sporen achter te laten.

De boeken van onder anderen Selma van de Perre en Eddy de Wind, verschenen in dit herinneringsjaar, bewijzen opnieuw het ongelijk van de nazi’s: hun verhalen zijn bij uitstek geloofwaardig, en de wil om te getuigen is nog altijd sterk, misschien sterker dan ooit: in 1945, toen De Wind zijn boek schreef, én in 2020, het jaar waarin Van de Perre haar memoires publiceerde.

Misschien kan er na al die jaren van particuliere en collectieve verdringing eindelijk een definitieve verwerking van de oorlog plaatsvinden in het publieke debat, daar waar het thuishoort. De honger naar deze verhalen, en de drang om ze te vertellen, lijken zo veel jaar na dato in ieder geval nog niet gestild. Nu de eerste generatie, een uitzondering als Van de Perre daargelaten, door ouderdom of overlijden ze zelf niet meer kan vertellen, moeten de volgende generaties hun verhalen doorgeven. En die van henzelf.

En zou het narratief niet verbreed kunnen worden naar al die andere verhalen die nog niet verteld zijn, waar geen luisterend oor voor was? Onze koloniale geschiedenis, om maar een dwarsstraat te noemen? Ander leed dat soms van generatie op generatie is doorgeven? En nu we toch bezig zijn: laten we luisteren naar álle verhalen die vanwege ongemak of schaamte op weerstand stuiten, verhalen over verdriet en pijn, onze ongemakkelijke geschiedenis, en ons onvermogen om te rouwen om onze verliezen.

Laat het grote vertellen beginnen.

 

Gepubliceerd in de Volkskrant op 21 januari 2020

Header image: Ephameron