Lebowski stuff

De Ramblers gaan uit vissen

Voorwoord



‘Wat nou weer? Een plens op mijn hoofd. Een warme, stinkende straal, die maar neer blijft komen, in mijn haar plakt, op mijn rug en schouders spet, in mijn ogen bijt. Het gebulder van de graanzuigers houdt op. In de stilte die volgt, barst boven me een krankzinnig gelach los.’

In 1963 verscheen De avonturen van Cornelis Bastiaan Vaandrager met daarin negen verhalen, waaronder de novelle Leve Joop Massaker, die in 1960 al eens losstaand verscheen – en in deze bundel is herzien, waarover later meer. De verhalen hebben droogkomische titels als ‘Sterkte buurman’, ‘Van het een komt het ander’ en natuurlijk ‘Het onvermijdelijke gezeik’. Daarnaast bevat het een ‘Naschrift’, dat in de traditie van De Nieuwe Stijl beschrijft hoe een oog ‘werkt’. De feitelijke beschrijving, alsof-ie uit een encyclopedie of biologieboek geplukt is, werkt zoals veel van Vaandragers poëzie op de lachspieren, door haar rechtstreeks te ontlenen aan de werkelijkheid, indachtig het credo van De Nieuwe Stijl: annexeren, isoleren, intensiveren.

‘Verkoopster: Zal ik het prijsje eraf halen?
Klant: Nee, laat u het prijsje er maar op zitten.’

Wie de verhalen van Vaandrager (her)leest, zal onmiddellijk zien hoeveel (hang naar) warmte en huiselijkheid uit de verhalen spreekt. Het zijn verhalen over vriendschap, liefde voor dieren, buiten spelen, geheimtaal, fantasie, onafhankelijkheid, de stad, de haven. Ze ontroeren, deze verhalen, omdat we ons herkennen in het verlangen naar een beste vriend(in); ons doen herinneren aan een zuster Worm die de pik op ons had; omdat we verdriet kennen om de dood van een huisdier; de vrijheid van het buiten spelen missen; de eindeloze zondagen; het aan de radio gekluisterd zitten.
Waarom de verhalen ook ontroeren: ze zijn geschreven in een tijd dat het Vaandrager goed ging: hij publiceerde poëzie, hij was redacteur van het tijdschrift Gard Sivik, hij was met zijn leren broek een stijlicoon in het uitgaansleven en een voorbeeld voor de ‘bot-
sende jeugd’. Het was de tijd van Zero en De Nieuwe Stijl, zijn proza debuut Leve Joop Massaker was met lof ontvangen, hij was de beoogde redacteur van Ik Jan Cremer: de wereld lag aan zijn voeten.

Zoals Kees de Koning en ondergetekende schreven in het nawoord bij Leve Joop Massaker, dat Top Notch en Lebowski gezamenlijk heruitgaven in 2012:

‘Waarom Vaandragers debuut, bij verschijning geprezen en vergeleken met Reve’s Werther Nieland, niet het startschot is geworden voor een zegereeks, een aaneenschakeling van succesvolle romans en bundels – wij weten het niet. Of eigenlijk weten we het wel, want er stonden drie mannen in de weg van een onmetelijk succes.
Allereerst werd de prozaïst Vaandrager in 1964 finaal omver geblazen door Jan Cremer, wiens debuut alle aandacht en verkoopaantallen opeiste.
Ten tweede was daar de dichter Hans Verhagen, na ballotage door Vaandrager zelf Gard Sivik binnengehaald, die hem voorbijsnelde met de lovend ontvangen en goed verkochte dichtbundel Rozen & Motoren (Vaandragers eigen debuut, in 1961, getiteld Met andere ogen, was nogal klassiek van opzet en zou het qua zeggingskracht niet halen bij de latere bundel Gedichten, die in 1967 verscheen).
Vaandrager, ten slotte, was zelf zijn grootste tegenstander. Hij publiceerde mondjesmaat, was verwikkeld in uitputtingsslagen met uitgevers die hem het publiceren juist beletten, en geraakte, onder invloed van speed, steeds verder van zichzelf en een coherent schrijverschap verwijderd.’

Terug naar de verhalen. En opnieuw naar het nawoord dat we voor (of: na) Leve Joop Massaker schreven:

‘Wij hebben gekozen voor de versie uit 1963 (en dus niet voor die uit 1960, het officiële debuut), waarin de hoofdpersoon niet langer Casper Benjamin Lampe heet, maar Cornelis Bastiaan Vaandrager, en dat geschreven is in de onvoltooid tegenwoordige tijd (en niet langer in de onvoltooid verleden tijd). Bovendien is Vaandrager – inmiddels meer onder invloed staand van ontluikende Nieuwe Stijl-ideeën – met de stofkam door de tekst gegaan: de zinnen worden korter, de taal harder en directer.
Grappen? Rotstreken!
Drinken? Zuipen!
Geslacht? Stijve!
Braaksel? Kots!
Bovenlijf? Tieten!
Rotterdamser, zou je kunnen zeggen.Waarom toch, is Leve Joop Massaker zo’n magisch boek? Is het omdat vrijwel iedereen – man, vrouw – in zijn/haar jeugd een voorbeeld kende, vaak een slecht voorbeeld, een afschrikwekkend voorbeeld, maar toch ook, en vooral daarom, een zeer aantrekkelijke spiegel, een eerste voorproefje van Het Verbodene? Sommige mensen hebben nu eenmaal talent voor overtreden, afwijken, over grenzen heen gaan.
Kennen we niet allemaal een jongen met een mes?
Leve Joop Massaker is een boek over een leven dat nog voor ons open ligt, hoopvol en huiveringwekkend, beloftevol, een leven gekenmerkt door verzenuwde spanning: we weten nog niet hoe het allemaal moet, hoe het werkt, wie we zijn, hoe we ons moeten gedragen, tot anderen moeten verhouden, tot de andere sekse, de eigen sekse. Het is ons nog niet deelgevallen: eeuwige vriendschap, liefde, erotiek.
Wat we wel hebben zijn woorden; pure woorden, woorden zonder opsmuk, geschreven indachtig Vaandragers levensvisie, gebeiteld in diens credo: het ongewone in gewone woorden schrijven.
Het zijn deze gewone woorden, geschreven door een man die steeds gewoner (steeds meer fonetisch, steeds dichter op de taal van de straat, met zijn herhalingen, halve zinnen, gemompelde woorden, slang en ratjetoe van talen) probeerde te schrijven, die ons ontroeren, die wij verkiezen boven de verheven, geëxalteerde taal van hen die nu juist het gewone proberen te zeggen in ongewone woorden.’

Ergens in deze bundel (die wij herdoopten tot De Ramblers gaan uit vissen, om geen andere reden dan dat we dat het mooiste verhaal van Vaandrager vinden, zo simpel is het leven soms, en omdat het in essentie zijn hele oeuvre bevat, maar ook omdat De avonturen van Cornelis Bastiaan Vaandrager als titel de verhalen weliswaar samenvat, maar er niets aan toevoegt) zit een schitterend verhaal verstopt, zo lijkt het, zo voelt het, omdat het direct volgt na Leve Joop Massaker: ‘Van het een komt het ander’. Vaandrager beschrijft hoe hij intrekt bij een hospita (‘Ik betaal haar zes briefj es van tien. Weer een weduwe, ouder dan die aan de Leidsegracht. Zonder make- up, grijs, kunstgebit. En vriendelijk, vriendelijk.’) en zicht heeft op een man en vrouw die tegenover hem wonen. Hij ziet het stel zingen, zich wassen, eten maken, de vaat opruimen, ze lacht naar hem, naar onze hoofdpersoon, maar ‘het komt zo onverwacht dat ik gewoon vergeet terug te lachen’.
Dan neemt de fantasie (daar gaan we vanuit) het over:

‘Het is gebeurd voor ik het weet. Daar is ze – er schuiven – ‘dag!’ – mensen tussen ons door – weg is ze. Het was toch een kleine moeite geweest. Haar even staande houden. Op luchtige toon: ‘leuk je eindelijk eens van dichtbij te zien. Mag ik me even voorstellen?’

Van het een komt het ander. Ze is kleiner dan ik dacht, ze komt niet eens tot mijn schouder. Maar ze heeft een goed lichaam.
Ze heeft een heel laag uitgesneden truitje aan. Het lijkt wel alsof ze ’t erom doet, verdomme.
‘Drink je (ik heb een glas van tafel genomen en houd dat voor het open raam) een glaasje mee?’ Wat klinkt dat lullig.
‘Er zit nog genoeg in’ (ik heb de Bokmafl es van tafel genomen en hou die voor het open raam). Ze lacht en gaat af. Ik zet de fles aan mijn mond. Onder het drinken staar ik onafgebroken naar de lege keuken. Ik buk om het op te rapen (het glas, ik heb het glas van tafel gestoten) en stoot mijn hoofd tegen de tafel. Ik struikel over het snoer van de bandrecorder. Ik blijf liggen waar ik gestruikeld ben. Het bandje loopt af. De rechterspoel komt vrij en begint als een gek in het rond te slingeren.’

Het is de dato 18 maart 2017 precies vijfentwintig jaar geleden dat Cornelis Bastiaan Vaandrager het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde.

Mogen zijn woorden ons eeuwig ontroeren en bekoren.

Amsterdam, 18 maart 2017

Oscar van Gelderen, uitgever