De Rammstein Dagboeken (London Book Fair 2014)

LBF

7 april 2014

De dag begon waarmee de vorige dag eindigde: een mail van de manager van Rammstein. Donderdag 10 april bezoekt de zanger, Till Lindemann, Nederland voor een blitz bezoek, omdat bij Lebowski zijn door Ilja Leonard Pfeijffer vertaalde dichtbundel In stille nachten verschijnt, en dat heeft nogal wat voeten in aarde: lengte van de interviews, make up artists, check of de journalisten wel fatsoenlijk Duits spreken, kamerinspectie.

till foto

Het betekent ook slechts anderhalve dag beurs, en dat de afspraken die normaal over drie dagen worden uitgesmeerd nu in de helft van de tijd gepropt moeten worden. Dus: veel huilende agenten en rights persons aan de lijn, die ik helaas moet teleurstellen, omdat mijn schema vol is.

Vandaag tussen het auf Deutsch mailen over toiletpapier dat van boven naar beneden dient te rollen en niet van onder naar boven, een lunch met Hamish Hamilton-uitgever Simon Prosser, die net als Lebowski Dave Eggers uitgeeft en het boek van Glenn Greenwald over Edward Snowden (getiteld: De afluisterstaat). Interessant: de campagne wordt daar aangejaagd via de conservatieve kranten, waaraan voorpublicaties en primeurs worden verleend. Verschijnt 13 mei wereldwijd.

Daarna fluks een koffie met de Amerikaanse scout, Mary Ann Thompson, met wie ik in de jaren negentig al samenwerkte. Sinds kort scout ze nu voor Dutch Media. Goed weerzien.

Ik moet de koffie sneller dan gewenst afbreken, omdat er wat aanvullende vragen van de manager op de mail binnenkomen: voedselvoorschriften en locatie van de kamer (een Prestige One Bedroom Suite).

Dan door naar mijn soulmate Jamie Byng, uitgever van Canongate en net als ikzelve sinds 1995 actief als uitgever. Er vliegen veel plannen over en weer over de tafel, en aan het eind van de meeting zegt hij: ‘Terry Gilliam komt zo, ik wil dat je hem even een hand geeft.’ Toch leuk, een Monty Python ontmoeten.

jamie byng

Byng heeft nog nooit van Rammstein gehoord, maar goed, hij is dan ook een beetje blijven hangen in de sixties. Ook de klassieke tekst: ‘Bück dich… das Gesicht interessiert mich nicht’ zegt hem niets. Ik check mijn iPhone: geen nadere instructies.

Door naar de Stoner drinks, dat ik al eerder organiseerde op de Buchmesse, maar nu een mooi ritueel wordt. Edwin Frank is er, de Amerikaanse uitgever van Stoner, hij kocht vlak voor de Fair de Deense classic Vernieling van Tom Kristensen, die wij samen met Gyldendal verkopen. Ook de uitgevers van Stoner in Zweden, Spanje, Frankrijk, Duitsland, Finland, Israel en Bulgarije zijn aanwezig.

stoner drinks

Ik word opgehaald door Jonas Axelsson, een slimme agent slash uitgever slash producent, met wie ik ga eten en van wie we Lena Andersson kochten, die met haar roman Onbetamelijk gedrag de August Prize won, de Zweedse Booker, zeg maar. Met hem spreek ik over nieuwe manieren om rechten te verkopen, het produceren van films. We gaan verder samenwerken.

Toetje at ik vervolgens bij het clients dinner van onze scout Mary Ann, maar kon mijn iPhone niet checken op mails, die bleek leeg. Ik bespreek een en ander met de immer goedgeluimde Martijn Griffioen, die veel lol heeft: ‘Dat bezoekje van Lindemann, zei jij niet dat je dat nauwelijks tijd zou kosten? Nou dan!’

Thuisgekomen is de mailbox vol, maar er is geen mail uit Berlijn. Wel verneem ik via Markus Hoffmann, met wie we samen het NEIN Manifesto verkopen, dat er drie biedingen uit Duitsland zijn binnengekomen voor het boek van twitterfenomeen @neinquarterly (volg die man).

NUR ALS ZITAT Screenshot / Twitter / NEIN.

Vermoeid zijg ik neer op een van de drie bedden in mijn vierkamerappartement, en denk aan Till, die ooit zong:

‘Ich will ein guter Junge sein.’

 

 

8 april 2014

Ik werd wakker met een tekst van Rammstein in mijn hoofd:

 

Du

du hast

du hast mich

du hast mich gefragt

du hast mich gefragt, und ich hab nichts gesagt’

 

Geen berichten uit Berlijn in de inbox, dus de dag begon vol hoop. Na een snelle koffie taai ik af naar de Fair. Daar is het al een gekrioel van belang, veel vluchtig gezwaai en geknik naar collegaatjes van de concurrentie – je weet dat de glimlach op het gezicht is geplamuurd, drie dagen lang.

Eerst maar eens kletsen met de Italiaanse uitgever van Stoner, Fazi Editore, en daarna een uur aan tafel bij The Jackal, ook wel bekend als Andrew Wylie. Er diende nog even stevig onderhandeld te worden over een paar titels, en dat is met Wylie niet altijd een onverdeeld genoegen. Collega Griffioen en eigenaar Wessels schoven aan, en het werd uiteindelijk best gezellig.

andrew wylie

Op naar Jonathan Burnham, onder wie bij Harper Collins het imprint Infinitum Nihil resideert, opgezet door Johnny Depp. Depp is een pleitbezorger van het werk van Hunter Thompson, die wij uitgeven, en heeft een cult classic uit 2008 opgeduikeld, Narcisa van Jonathan Shaw, die wij aangekocht hebben. De lijnen naar Depp worden uitgezet, want in februari 2015 is het 10 jaar geleden dat Hunter het aardse voor het eeuwige verwisselde, daar gaan we bij stilstaan, met een Gonzo Party.

depp

Terug naar de agents centre, naar Niclas Salomonssen, die een van dé boeken van de Fair heeft: Made in Sweden, een true crime boek dat nu opeens een thriller is geworden, en dus super hot. De bedragen buitelen over elkaar heen in Nederland, en collegaatjes Reintjes (House of Crime) en De Croon (Mistral) doen dapper mee – maar moeten het onderspit delven tegen een nog onbekende tegenstander met zeer diepe broekzakken.

You can’t have them all.

niclas

Salomonssen, die er uitziet als een acteur die zo is weggelopen van een Warhol-filmset, is in een sombere bui: hij vraagt zich, 38 jaar oud, af waar het allemaal toe dient, leven op aarde, en waarom hij maar moeilijk kan genieten van momenten van geluk.

Join the club denk ik, en wil hem als opsteker een opbeurende tekst van Till Lindemann meegeven, maar de tijd roept, we moeten door.

Na een broodje en een snelle inspectie van de iPhone, nog altijd is het stil in Berlijn, gesproken met Jenny Thor van Gyldendal, met wie we samen Havoc van Tom Kristensen verkopen, een Deense classic uit 1930, die zich qua intensiteit kan meten met Hamsun’s roman Honger en Lowry’s Onder de vulkaan. Er is veel interesse voor de roman, daar gaan zeker meer deals voor worden gemaakt.

haervaerk

Bij Verso doet men vooral aan politieke non-fictie van het meer radicale soort, en ik waan me weer even terug in de barre jaren tachtig. Snel dus naar Pushkin Press, uitgevers van Gazdanov in Engeland, een heel goede uitgever met smaak en visie, die als een van de weinige Engelse uitgevers een lijst runt met vooral vertalingen.

Bij Jamie Byng langs die even wil roken, dus in de zon gesproken over kinderen,ex-wives en huidige echtgenotes, met wie we het toch maar mooi getroffen hebben. Over Rammstein hebben we verder niet gesproken, hoewel de zin uit Bück dich hem wel was bijgebleven.

Door maar Heloise d’Ormesson, uitgeefster van Arnon Grunberg in Frankrijk. Samen met Nijgh & Van Ditmar hebben we de Arnon Grunberg Agency opgericht in 2012, met als belangrijkste en tevens enige cliënt Arnon Grunberg. We broeden op een definitieve doorbraak in Frankrijk. Conclusie: een auteursbezoek van een maand.

arnon grunberg

Het loopt al tegen half vijf als de manager van Rammstein zich meldt: of ik nog even de nummers kan doorgeven van de journalisten, die moeten namelijk getoetst worden op hun kennis van de Duitse taal.

Na een praatje met de nieuwe Engelse scout en wat wederwaardigheden te hebben uitgewisseld met een Spaanse uitgever eindig ik de beurs bij Lisette van de Brandt New Agency: een vlotte Nederlandse die Zweedse auteurs verkoopt vanuit Barcelona. Good thinking.

In het vierkamerappartement is er tijd voor reflectie en bezinning, maar gelukkig niet te lang, want een diner met de dames van William Morris Entertainment (dit bedoel ik anders dan het klinkt) in het chique Chiltern Firehouse wacht op me. Van WME kochten we onder andere Oorlogsverhalen van Phil Klay, die ook in Nederland lovend wordt ontvangen. Het eten is grandioos en de avond genoeglijk, ik krijg zelfs een doggy bag met wat chocoladetaart mee. Dat peuzel ik op in mijn vierkamerappartement, terwijl ik luister naar Rammsteins Alter Mann op de iPad, denkend aan Salomonssen, de sombere agent met zijn hot boek, die vandaag zo gepreoccupeerd was met zijn naderend einde:

 

‘Er wartet auf den Mittagswind

die Welle kommt und legt sich matt

mit einem Fächer jeden Tag

der Alte macht das Wasser glatt’

 

 

9 april 2014

Ik word wakker met een titel van Hans Fallada in mijn hoofd: Jeder Stirbt Für Sich Allein, ook wel bekend als Alleen in Berlijn. Er is ‘s nachts geen mail binnengekomen van het Rammstein-management: ik voel me een beetje verwaarloosd, want iedereen die de poëzie dient, en zeker de Duitse poëzie, heeft recht op aandacht.

hans fallada

Hoe zou het vandaag met onze somberende agent Salomonssen zijn? De zon schijnt, de hemel is azuurblauw, het is een perfecte dag voor Bananafish. Op naar de Fair, dus.

Daar aangekomen zie ik Eric Visser verdacht vrolijk rondlopen in het Agents Centre, alsof hij met een ereronde bezig is: hij heeft, blijkt later, de veiling gewonnen van het hot book van de somberende agent, Made in Sweden. Toch altijd extra leuk, als een onafhankelijke uitgever ervandoor gaat met het grote boek van de beurs.

Ik begin met een afspraak met de Duitse uitgever van Kästner, wiens Der Gang vor die Hunde (Naar de haaien) me door Arnon Grunberg werd getipt (die op zijn beurt door Pieter Steinz op het boek werd gewezen) als zijnde een hoogst actueel boek. Kästner was in 1933 aanwezig bij de verbranding van zijn roman (zijn jeugdboek Emiel & zijn detectives was al zo populair dat de nazi’s het niet aandurfden dat ook te verbranden), een aangrijpende ervaring die hij in een voorwoord van het boek, jaren later, zeer beeldend beschrijft. Der Gang vor die Hunde verscheen in 2013 in Duitsland pas voor het eerst in ongecensureerde vorm en onder de door Kästner beoogde titel.

fabian

Daarna bijpraten met de Amerikaanse uitgever van Stoner, die fijntjes opmerkt dat sinds Stoner de jackpot heeft geraakt in de Lage Landen veel Nederlandse uitgevers heel spontaan contact met hem hebben opgenomen: heeft hij toevallig niet nog zo’n ‘spectaculair onspectaculair’ boek op de plank liggen, wellicht? Sure.

Lee Brackstone blijkt om 12.00 uur al aan de wijn, maar goed, je bent uitgever van de afdeling rock ‘n roll bij Faber & Faber, of je bent het niet. We spreken over het organiseren van events, en dat we met onze feestjes eigenlijk schatplichtig zijn aan Crossing Border, maar dat vinden we helemaal niet erg, en Louis Behre ook niet, want die houdt van ons.

ali eskandarian

Brackstone is zeer geïnteresseerd in de roman van de Iraanse muzikant Ali Eskandarian, die vorig jaar tragisch om het leven kwam. Lebowski heeft wereldrechten voor zijn roman verworven die we, helaas, postuum zullen moeten uitgeven. Ook spreken we kort over Rammstein: de band moet nog wat werken aan haar profiel in het Verenigd Koninkrijk, ze zijn er niet heel erg bekend. Ik raad Brackstone van harte de poëzie van Till Lindemann aan, uiteraard ondersteund met een kort auteursbezoek. Piece of cake.

Ik laat Brackstone achter in de Ivy Club, en zie hem nog net een nieuw glas Chardonnay bestellen. Dat wordt een lange dag.

Ik word gebeld door een assistente van de manager van Rammstein: ik heb een mobiel nummer niet correct doorgegeven, en nu kan een van de gelukkigen die donderdag Till Lindemann mogen interviewen, niet overhoord worden. Toestanden!

Door naar Frank Wegner, van Suhrkamp. Die schetst me hoe de in turbulente omstandigheden verkerende uitgeverij met 120 man/vrouw personeel dik 400 boeken per jaar uitgeeft: ik word er bijna zelf een beetje somber van. Wat doen al die mensen de hele dag? Snel praten we dus over vrolijker zaken: over het NEIN manifesto van Eric Jarosinski, aka het filosofisch twitterfenomeen @Neinquarterly, dat na een verhitte veiling is verkocht aan Fischer Verlag. Ook Wegner wilde bieden, al was het maar om eens een wat moderner boek te acquireren voor het statige Suhrkamp. Schade.

Zou het de romantische ziel van de Duitsers zijn, die me op mijn oude dag geraakt heeft, midden op mijn ‘onbegrepen schemerende voorhoofd’, zoals miskend genie Max de Jong het ooit zo fraai verwoordde?

Rammstein.

Fallada.

Kästner.

NEIN.

Tijd daarom voor wat mediterraanse joi de vivre, dus met gezwinde pas naar Feltrinelli, waar het aan tafel altijd een beetje chaotisch is. Met Theo Collier overleg ik over de vertaling van Gli Sdraiati, van Michele Serra. Wij hebben nu Generatie ZZZ als titel staan, maar dat moet toch anders. We sturen deze zomer leesexemplaren rond, dus boekhandelaren met briljante ingevingen zullen we belonen met een bord goede pasta. Topboek.

michele serrA

Ik sluit af bij de Spaanse/Catalaanse afdeling van Schwob, het Europese initiatief dat classics en herontdekkingen promoot. In Nederland runt Alexandra Koch vol verve de tent, en zit ik met collegaatjes Hartman (Van Oorschot) en Cossée (Cossee) in een kernteam dat een zomeractie voorbereid met elf parels (van elf verschillende uitgevers) die de moeite meer dan waard zijn. Meer daarover later. Ik offer me op om half juni deel te nemen aan een Schwob-conferentie in Barcelona: dat wordt weer ploeteren op de Ramblas.

Terug in het hotel check ik mijn mail. De manager van Rammstein vraagt me of ik donderdag op Schiphol een bord omhoog wil houden met haar naam er op. Als ik woensdagnacht laat thuiskom zoek ik een viltstift en een vel tekenpapier, schrijf mijn naam en die van haar, en teken een hartje en een pijl erdoorheen.

Omdat ik donderdag niet kan rapporteren over het wel en wee van alle collegaatjes op de beurs, hot books en sombere agenten, zal ik als bonus verslag doen van mijn dag met Till.

 

 

10 april 2014

Het uur van lood. Mooi somber boek van Rob van Erkelens uit de jaren negentig, die er indertijd een beetje uitzag als Till Lindemann nu, alleen iets minder afgetraind. Qua haar zat het wel goed, en qua doem ook. Ik moest er aan denken toen ik donderdagochtend wakker werd.

Vandaag is het de grote dag. Ik heb Londen achter me gelaten, en ben woensdag via Brussel naar huis gereden: de Eurostar heb ik ontdekt toen vulkanische as reizen naar de Fair een paar jaar geleden onmogelijk maakte. Je stapt uit in het hart van Londen, geen vertragingen of paranoide sfeer op het vliegveld. Een zegen.

Op Schiphol blijkt Till Lindemann (had ik al gemeld dat hij de frontman van Rammstein is?) vroeger dan gepland aangekomen. Ik check waar hij naar buiten zal komen, en spoed mij naar arrivals 1. Na een kwartier belt Birgit, de manager, en vraagt waar ik uithang: ze staan bij arrivals 2. Welke gek bedient die aankomstborden eigenlijk? Is dat een baan? Hoe moeilijk kan het zijn?

Ik heb me voorbereid op zweepslagen vandaag, flagellatie van het betere Germaanse soort. Nu moet ik naar Birgit toe, die ongetwijfeld al boos rondloopt op torenhoge stiletto’s, en met roodgelakte nagels geirriteerd aan de geblondeerde strengen in haar knotje trekt. In mijn hoofd de stem van Till:

 

Ich tu dir weh

Tut mir nicht leid

Das tut dir gut

Hört wie es schreit

 

Till blijkt de vriendelijkheid zelve, en is oprecht verheugd met de allereerste vertaling van zijn dichtbundel. De zon schijnt, we lopen naar de taxi: Helles Licht zeg ik tegen hem, en hij kijkt me verrast aan, vermoedt een connaisseur. Mein Herz Brennt: daar zit de zin Ein Helles Licht am Himmel in. Wist ik helemaal niet, maar de band is gesmeed.

Ik mail snel naar Lebowski: super relaxte gast! Iedereen replied opgelucht. Pfieuw!

In het hotel inspecteren Birgit en ik eerst maar eens even de presidentiele suite, waar alle interviews zullen plaatsvinden. Die blijkt gigantisch groot, met magnifiek uitzicht over de Amstel, waarover zo meer.

Arnon Grunberg is als het goed is geland op Schiphol, om 10.00 uur, dus net op tijd om een lunchinterview voor NRC en HUMO te kunnen doen. Hij is liefhebber van het werk van Rammstsein, en Bück dich is favoriet. Is ook een prima nummer om bij te stofzuigen, trouwens.

Keurig op tijd wandelt Grunberg de lobby binnen. We gaan lunchen en bestellen champagne, want morgen is Till’s moeder jarig en we moeten de vertaling in Nederland vieren. Till vertelt honderduit over de oorsprong van zijn teksten, over Rammstein (een huwelijk, maar dan zonder seks), over de controverses rondom de band. De scallops zijn verrukkelijk.

till moeder

Collegaatje Roel van Diepen is inmiddels ook gearriveerd, die zal assisteren, want we hebben een strak schema en we moeten steeds op en neer naar de suite op de bovenste verdieping. Make up wordt verzorgd door Romy Seep, en de Jakhalzen arriveren: Erik is fan van Rammstein en de heren Lindemann en Dijkstra kunnen het goed met elkaar vinden. Er wordt bier besteld. Later vernemen we dat de lege flessen in de Amstel zijn beland: maar goed, dan hadden ze het bier ook maar anders moeten noemen.*

Ik bespreek de situatie met Roel: we zijn bijna teleurgesteld, na honderden mails van Birgit, over alle denkbare details van het bezoek, een bezoek dat eigenlijk alleen maar mis kan gaan, want er gaat altijd iets mis, gaat het nu verrassend smooth allemaal. Even omschakelen.

Daarna volgen nog de Volkskrantnu.nl en Parool, en tegen half vijf zijn we een halve krat Amstel bier voor Till verder, en zit het werk erop. Tijd voor de drinks met de dichters.

Till staat erop dat we met z’n allen tequila shots drinken, en dat laten Boomsma, Wigman, Starik,Tuinman en de Lebowski crowd zich geen twee keer zeggen. Harmens en ik staan droog, en doen dus niet mee. Het ene na het andere peperdure shot wordt achterover geslagen. En natuurlijk Stijn, onze dappere stagiair, die al eerder vrienden is geworden met zijn held Dave Eggers en nu op zijn schouders wordt geslagen door Till.

TILL DRINKS

De stemming wordt steeds beter, Till vermaakt zich prima, er wordt een groepsfoto gemaakt. Meer tequila wordt aangerukt, Arie Boomsma is inmiddels aangeschoten en dreigt van een barkruk af te lazeren, Starik/Tuinman hebben geregeld dat Till hun huwelijk zal voltrekken, Wigman is cool altijd, Harmens’ zoon Juul gaat trots met Lindemann op de foto. Zijn juf is ooit naar een Rammstein optreden geweest, maar dit is natuurlijk baas boven baas.

Till geeft me zijn mobiele nummer, we gaan plannen maken, het komt allemaal goed, de poëtische werelddominantie begint in Nederland.

Ik pols voorzichtig bij de barkeeper naar de schade.

‘s Avonds bel ik de immer goed geluimde Martijn Griffioen, en praat hem even bij. Ik vertel maar niet dat we de helft van het marketingbudget er doorheen gedraaid hebben in de bar van het hotel. Maar wat maakt het uit, wij dienen de poëzie.

Der Kampf geht weiter!

till boek cover

 

WARME DAG

 

De zon verzamelt vrouwenhuid

berooft de blikken van geluid

versmelt me met de rok omhoog

verblindt het hart ontvlamt het oog

 

als voorjaar valt uit maart april

en zon schijnt op een vrouwenbil

dan kruipt het onder huid en haar

en de sirenen zingen maar

 

de duizend naalden van verlangen

probeer ik met een hand te vangen

en al dat blote vlees met blikken

ik voel mijn slappe knieën knikken

 

volledig kansloos voor mijn ogen

het vlees waarmee ze jongen zogen

het is een deinen pront misbaar

en de sirenen zingen maar

 

ik voel mijn onderbuik ontluiken

aan andere geslachten ruiken

kom knevel mij en doof het licht

en sla me beide ogen dicht

 

Uit: In stille nachten. Vertaald door Ilja Leonard Pfeijffer.

 

*Naar nu pas blijkt heeft Erik Dijkstra een aluminium flesje richting een boot gegooid (en niet in het water, zoals wij dachten), die ook nog eens van de Zonnebloem bleek te zijn. Dijkstra heeft inmiddels zijn excuses aangeboden, en zal voor ‘straf’ een aantal dagen meevaren met de Zonnebloem (die mensen met een lichamelijke beperking een mooie dag proberen te bezorgen). Dat had natuurlijk niet mogen gebeuren, en ook wij, van Lebowski, vinden dit niet oke!

 

The Price of Love

I am re-reading Alfred Hayes’ great book In Love, which has just been released by New York Review Books in the USA, and will be published by Lebowski Publishers in Dutch translation (by Marcel Misset) in 2014.

Somehow, the main character of the book reminds me of Michael Hutchence, the former singer of INXS, a band I did not particularly like (although, being a title freak, Elegantly Wasted remains a great title for an album, or a book, or a film), but the singer always intrigued me: a goodlooking guy, destined to going down (think: Morrison, Cobain)… Which he did, in 1997.

Some say it was an accident, others call it suicide, and his not so reliable girlfriend at the time, Paula Yates, who overdosed three years after Hutchence, stated his death was due to autoerotic asphyxation (google it).

Others just blame Bob Geldof.

Hutchence, to me, seems like the kind of guy who, like the main character in In Love, really suffered from being both in and out of love.

The Hayes’ book just got a great review in The New York Observer: and their headline summed it up quite nicely (but not very subtly): “The Best Part of Breaking Up: In 1953, Alfred Hayes Published One of the Greatest Books Ever About the End of a Relationship”. The review is glowing, and rightly so, praising and commenting that “the beauty of Mr. Hayes’s sentences recreates the often-inexplicable agony that goes with a dying relationship.”

I keep reading sentences I want to quote, share, tweet. Is that because I assume this book appeals to experiences every readers must have had, or is it because we, readers (and publishers), want to share our misery just as badly as our happiness? Shame, indecisiveness, fear to commit, jealousy, defeat – it’s all there, up for grabs. Just read these sentences:

Of course a woman always seems to choose, with a dismaying instinct, the goddamnest moments to end a love affair. Her dismissals always seem to come the way assassinations do, from the least expected quarter. There will be a note on the kitchen table, propped up against the sugar bowl, on exactly the day when most in love with her you arrive carrying a cellophaned orchid; or walking along the avenue, one arm about her waist, and talking with great enthusiasm about a small house you saw for sale cheap thirty minutes from New York. They seem timed to arrive during birthday parties, when you are apparantly happiest, or relaxing in a hot bath, when the house is most peaceful, or taking a short walk in the garden, enjoying what promises to be a beautiful evening. She waits until that precise moment you are bending down to sniff the roses,and thinking that, after all, she is a wonderful girl, and you are really absolutely sold on her, for all the small quarrels and differences, really fine, when bang: she fires from behind the rosebush.

The book, partially, reminds us of the 1993 blockbuster film Indecent Proposal. In In Love is also centered around that question: what is the price of love? But, although it being a driving force in this slim novel, the main attraction lies in the metafysical observations, the relaxed, laidback way the story is told and unfolds, and the way it hits the nail on the head:

The only thing we haven’t lost, I thought, is the ability to suffer. We’re fine at suffering. But it’s such a noiseless suffering. We never disturb the neighbors with it. We collapse, but we collapse in the most disciplined way. That’s us. That’s certainly us. The disciplined collapsers.

The prose in In Love, and in it’s Hollywood counterpart, My Face For the World to See, is, as The Guardian wrote (calling MFFTWTS a masterpiece) ‘very carefully weighted. The sentences, outside the book’s dialogue, are packed with commas and careful qualifications, the way you would write if you wanted to make sure that every possibility of nuance or interpretation had been scrupulously attended to.’

Disciplined collapsers, that’s what we are.

 

 

 

Pianos, sharks and nazis (and Baltic music)

Every so often, tired of it all, I return to classical music, and discovering new modern composers is one my (many) hobbies. Some great classical music is composed yesterday, today and tomorrow, and many people aren’t aware that there is so much good stuff out there.  Like Jason Rhodes (a great find of the missus) says: people often think that classical music, art and architecture is ‘for other people’, and that’s because classical music, like classic books, should be reinvented, marketed if you like: the word classical puts people off. Rhodes deconstructs some taboos and misconceptions about classical music (he coins the term ‘serious music’) in his wonderfull TED-speech, which you can see here.

I really like modern classical/serious music, especially by Baltic composers. Recently I listened to the radio and heard a great choral work by the composer Peteris Vasks: it was called Ziles zina (The Message of the Titmouse). Here you can listen to it (please do), and here‘s another great piece, called Musica Dolorosa, and here’s another one: String Quartet number 4 by the Kronos Quartet – magic stuff.

The Eurovision Songfestival makes us believe that music from the Baltic states always involve lunatics performing hysterical songs, but Arvo Part, Erkki-Sven Tuur, Peteris Vasks, Uģis Prauliņš, Maija Einfelde, Urmas Sisask, Vytautas Miškinis and Eriks Esenvalds prove that some heavenly music is composed up East.

This Esenvalds composition, Passion and Resurrection, although being a dedicated atheist, sounds pretty devine in my ears. Enjoy and let’s pray the Balts don’t win the ESF tonight.

(Seascape: Baltic Sea, near Rügen, 1996. Hiroshi Sugimoto)

Freedom

Last Saturday, march 2nd, the missus and I went to see the show of Bertien van Manen at Gabriel Rolt gallery, in Amsterdam, titled: Easter and Oak Trees (it’s also the title of a simultaneously published book, by MACK). The show, her first solo in many years, displays a wide range of photographs (and contact sheets) from the period 1970-1980, in which she portrayed her children and late husband extensively and intensively. Her photographs show children playing, climbing and swimming, admiring their genitals, smoking, in short: posing in all their innocent puberty.

The works at Rolt Gallery were framed and displayed beautifully, DJ 100% Isis was spinning the decks and a good crowd was present at the party, which started at 10 PM.

From the moment Gabriel told me he was going to show Bertien’s work, I thought this was an interesting attempt to not only relaunch her work and re-kick start her career but also a very smart move from the gallery’s perspective: the mix of emerging talent (Davina Semo) and pioneers (like Bertien, like Peter Schuyff) is always irresisteble for collectors, whom always aim for (re)discovering talent.

.

Another artist associated with the gallery, Ryan McGinley, used to be connected with the Beautiful Losers, one of my favorite artist collectives. The Beautiful Losers primarily showed at Alleged Gallery (run by Aaron Rose) and were an eclectic bunch of artists that had one thing in common: a free spirited soul. Whether it is the abstract work of the very funny Chris Johanson, the folk art of the late Margaret Kilgallen, the exquisitely painted dropout characters by Barry Mcgee, the films by Harmony Korine, or the photographs of Ed Templeton (who must know Bertiens work) – there is always a spirit of comraderie, of togetherness, of family (without necessarily being related). Here’s a Templeton cluster:

Bertien van Manen feels like the Godmother of this excellent group of artists, because her work breaths that same freedom; being free of rules, of bourgeois etiquette, of limiting concepts. It is exactly what I really like about Bertien’s photographs: the way she portrayed her children is always full of love, full of freedom, full of hope.

Of course we could not leave the gallery without buying a work (I knew beforehand I would not leave empty handed), so I purchased the gorgeous photograph below, printed digitally straight from the contact sheet; it will find a safe home at the missus’ apartment.

Go and see this show, its open for the public till april 3rd.

Going North

Last week, the missus and I (and our daughters) travelled upnorth, to Friesland and Groningen. We love going there, I lived in Groningen in the eighties, my father lived in Friesland for a decade, and we love the art from the North. Since the early twenties, lots of pioneering has been going on over there: Kurt Schwitters (who spoke decent Dutch) hang out with Evert and Thijs Ritsema in Drachten in 1922 and 1923, making collages and (small) wooden boxes with them (they can be seen in Museum Dr8888 and Museum Belvedere).

One of Schwitters poems (Und als Sie in die Tute sah) was translated into Frisian:

En as hja yn de poede seach,
Dan wieren d’r reade kjessen yn,
Dan makke hja de poede ticht,
Dan wier de poede ticht.

Anyway.

At around the same time, Wobbe Alkema was working in a constructivist way, in Groningen, and so did (for a short period) Jan van der Zee. The big man, of course, remains the fabulous printer and artist H.N. Werkman, who was shot by the Germans three days before the North of Holland was liberated.

After the war Siep van den Berg played an instrumental role, bringing modern art to the North. He was married to Werkmans daughter, and was a great abstract painter himself. Here’s a work outside, painted on the barn of the famous (gentleman) farmer Anton Waalkens, who started a gallery inside it, in the sixties.

I find that moving, all these pioneers, working almost in isolation, dedicated to (often) abstract art, unappreciated at the time.

The funny thing is, that while travelling through Friesland and Groningen, it still holds many treasures unknown to people in the West of Holland (which is, by people living there, still considered to be the epicentre of the universe). After (amongst others) Tames Oud, Siep van den Berg, Gerrit Benner (regarded by many as the Northern answer to Karel Appel) and Boele Bregman came people like Sjoerd de Vries, Leon Adriaans and Willem van Althuis. De Vries is still alive and kicking, and is considered widely as ‘the’ artist living in Friesland nowadays.

The missus and I went to see Sies Bleeker, who lives in Heerenveen, and who has been working steadily since the seventies (beautiful monochromes). He showed us drawings, collages and paintings – a diverse oeuvre at a consistent high level. Abstract paintings, intricate collages, black hatched drawings, subtle monochromes, Sies Bleeker has it all.

After Sies, we went to see Evert de Graaf, a selftaught painter who can not only paint beautifully (in a slightly naive style, not uncommon in Friesland), but who considers his ‘eel works’ as his vintage art. Evert used to work as an eel smoker, so he knows his fish. He strips the skin of the eel, puts it into salt (and adds some other secret ingredients), and then stretches it around little pieces of wood. The result is striking: landscapes, resembling De Deelen, the most beautiful part of Friesland, where Evert lived on a boat, caught his fish and now turns the fish into art.

After Evert we went to see the very smart Fred Wagemans, in Beetsterzwaag, who runs De kunstruimte. Boy, does this man have a great stable: zero pioneer Henk Peeters (we saw a great ‘feather’  piece), Leon Adriaans (of course), Thijs Jansen (a very talented young artist) and one of our favorites: Jan Loman. Loman passed away in 2006, but Fred runs the estate very passionately and with lots of care. Loman worked as a land surveyor (like Kafka’s hero K. in his novel Das Schloss), which may explain his architectoral take on abstract art. Even his small collages contain a monumental feel, and all of his works (spanning 50 years) struck us as being exceptionally good.

Off we went, to Groningen, to look up two good friends, both of them combining books and art: Albert Hoogeveen (a wellknown bookseller in the nineties, famous for his outspoken taste and his tattoos), now running a shop in the centre of Groningen, packed with books and art, mainly from local artists. Dick Siersema used to run Prentwerk, a bookshop specialized in art books, where he also showed many local artists, like Martin Tissing. Dick has now moved to being an art critic, writing on this blog, which is a great source for anyone interested in art from the North of Holland. Next to that, Dick also run this.

We ended our little field trip in our favorite hotel in Groningen, where the kids had their own room, so that the missus and I could spend some quality time together without being interrupted, time dedicated to that one activity all (recently) married couples need to keep working on, in order to remember, and not to forget.

Arturo Vega: Stay Sick

I met Arturo Vega last year, in september 2011, in New York, after being properly introduced by the good Marc Miller – who has become a real friend, who is is a source of inspiration and a walking dictionary, this man really knows all about the eighties. He interviewed Basquiat back in the days, curated the infamous Punk Exhibition

in 1978 in Washington, and was involved (one way or the other) with pioneering artist spaces like ABC NO Rio, Fashion Moda and Colab. He runs the www.98bowery.com website, and, right now, Marc is involved in the Come Closer: Art in the Bowery 1969-1989 exhibition that will take place in The New Museum and that will open september 19th, with, of course, art from Arturo Vega on display.

Talking of which…

Back to Arturo.

It was hot that week in september last year, blazing hot, and I had allready seen way too many publishers, agents, authors, studios, galleries and artists, it was the end of my trip and I was tired and exhausted - but I was on a mission, and that mission kept me going: to see as many works of the legendary artist Richard Hambleton as possible. The glitzy boys Valmorbida and Roitfeld had organized a retrospective that week at Philips de Pury, and of course I went to see it, working my way through rooms full of models, because it was not only art that was displayed: Armani had joined in, it was Fashion Week, and so champagne glasses and fit ladies crowded the place.

I had heard that Arturo sort of kept Hambleton alive in the nineties (up till today), and in return got some nice paintings… to say the least. Entering his apartment in the Bowery, full with art of Hambleton – Sea Scapes, Marlboro Men, Shadow Figures, the whole enchilada - my eye fell on a striking work, aptly titled: You Fuckin Ass. This turned out to be one of Arturo’s paintings, and the more I got to know about him (I was less so interested in his connection to The Ramones, that is to say: to their music, not to mention their conservative political opinions, which, for a punk band, always struck me as odd, but I always loved the artwork, the logo, the marketing and the whole feel about the band) the more enthusiastic I became.

I knew instinctively: this is a great artist, who has always been playing 5th, 6th, 7th or 13th Ramone, always supporting other artists and musicians, but this guy can really paint. And – very important – all I saw was good: the minimalistic pieces, the windmills, the tuna cans, the flags, the dollars, the word paintings, the insults – fuck, this man knows his art! And he was a pioneer too, doing word paintings allready back in the eighties, maybe even in the seventees, before they became fashionable (Christopher Wool only started with them in 1987)…

Back home in Holland I wrote Arturo an email, asking him if he was up for a show in good ol’ Amsterdam, and he wrote back: yes, let’s do it.

On friday, september 21st, Klerkx Art Agency will open Insults & Windmills,

at a funky place called ‘60/62 at Bacardi’, aka the Bacardi House, right in the heart of the Red Light District. We will do good press, Arturo will play some tunes in a brothel turned into a radio station called Red Light Radio, we will host an after party with some great dj’s on the 21st, there will be public talks and public interviews, and most of all: we will give Holland a real teaser of the mans artistic skills and abilities.

So, come and see us in the next coming days, meet Arturo, enjoy his art, listen to what he has to say and enjoy the spirit…

In his own words: stay sick.

 

Please Send To: The Most Famous Unknown Artist in the World

Today and yesterday I spent most of the day talking with Peter Schuyff, artist, musician and raconteur. We are working on a book together, tentatively called: Stories in Red, Yellow, Black and Blue. Stories about women, art, life and dope, and not necessarily in that order. Schuyff was part of the neo-geo movement, and his big geometric works from the eighties still look as if they were made today: fresh and striking.

Okay.

We returned to one of our favourite subjects, the artist Ray Johnson. A man who according to some, engineered his own obscurity, but nevertheless is loved and appreciated by those in the know. His collages (which he called ‘moticos’) and the stuff he send out (mail art) are delicate, masterfull works, full of mystery and emotion.

Here’s Schuyff talking about Ray, recorded in the Chelsea hotel, where he lived for many years, before returning to Holland, and here’s Morton Janklo talking about ‘doing business with Ray’.

I am starting to like this enigmatic man, who left behind a small but priceless oeuvre, a man who had very strict ideas about how to operate in the art world (therefore not getting the recognition he deserved) and who died under mysterious circumstances.

Johnson (who died in 1995) was instrumental in the mail art movement, neo-dada, fluxus, performance art and, what I like most about him, is the inventor of the ‘nothing’. A nothing performance would be announced, invitations would be send out, and then, of course, nothing would happen.

The Art of Nothing.

A true heir to Marcel Duchamp.

Fascinated by Duchamps most enigmatic work: Étant donnés: 1. La chute d’eau, 2. Le gaz d’éclairage (Given: 1. The Waterfall, 2. The Illuminating Gas).

Lastly, Johnson did not see himself connected to Pop Art, he described his collages as Chop Art. I also read somewhere he talked about Flop Art, which explain this work below.

Aldo di Pantaloni: our man in Berlin

I never was much of a David Bowie fan, but one thing I must admit: the three records he made in his ‘Berlin years’ (Low, Heroes, Lodger) are great (thanks to Brian Eno, whom I esteem as the most influential musician of all times) and Sound & Vision is just simply a terrific song.

Thanks to Eno.

Anyway, I was in Berlin this weekend with the missus, to visit one of the artists she represents, the highly talented young Dutchman Aldo di Pantaloni. Aldo lives in Berlin for some time allready, with his lovely girlfriend Nikka and their 10 month old son Otto, and we thought it would be good to look him up, check his studio and discuss plans. Aldo was/is part of the collective Blitzkrieg, and creates powerfull, multilayered images from scrap materials (paper, board, wood, anything he can get his hands on): portraits, tunnels, tanks, more faces… Here’s a lovely portrait of Nikka, when she was pregnant:

 

There’s a lot of feeling and empathy in Aldo’s work, and it’s an emotional experience to see all those nameless faces (the Nikka drawing being an exception) painted on old sheets of paper he found at a defunct chemical factory, adding even more flavour to the work. 

I think Aldo has the potential (and the ausdauer) to become a major artist: he’s got the skills, the vision, the courage to go for it, and he has a story to tell, a story about memory and loss, about human behaviour, about emotions and feelings.

Powerful stuff.

Brian Eno once said: “As soon as I hear a sound, it always suggests a mood to me”. To that I’d like to add that Aldo is all about mood: not in sounds, but in images.

www.pantaloni.nl

 

Warren Lewis vs Lil B: The Art of Being Dumb

Yesterday I had a drink with my good friend Warren Lewis, formerly known as WorldWarWon. He’s a highly talented artist, maybe even too talented, for those who can do all sometimes should do less.

We talked about new ways to show art, how to create urgency, how to reach fame and fortune, how to connect with brands, and other entertaining subjects. I think he’s got it all to become a really famous and filthy rich artist, and what’s even better: he’s represented by the missus.

But what Warren really is into, is the way rapper Lil B is handling all the subjects mentioned above. In this excellent piece in The New Yorker, you, dear reader, can read how B turns his whole life into an act:

“Lil B is the strangest rapper alive. He has none of the trappings of mainstream success—no Video Music Awards, no Fallon appearances, no record deal—but he is a celebrity on the Internet, where he has more than a hundred MySpace accounts, four hundred thousand Twitter followers, and sixty million YouTube views. Justin Bieber gleefully transmits Lil B’s memes; Diddy, acting as his hype man at a South by Southwest performance, did Lil B’s signature “cooking dance.” Pitchfork found his most recent album, “I’m Gay,” “especially compelling.” Last year, he released a mixtape with six hundred seventy six tracks, including “Am I Even a Rapper Anymore?,” “Cash in My Tiny Pants,” “I Sex Myself,” and “Sherbert Flerbert.” He is twenty-two years old and claims to have released “over two thousand songs,” which is plausible, depending on what the definition of “song” is.”

By making oneself impossible to take seriously, one is taken is seriously.

In order to pretend to be someone else (Lil B claiming to be Ellen DeGeneres) one can be oneself.

By not selling anything, one can sell out.

All intriguing thoughts, to be further exploited.

I trust Mr Lewis will do this, thoroughly, and fame and fortune will be his, in the near future.

Anti Obama Art

For those who thought that with North Korean art we had hit rock bottom on the scale from zero to ten of Bad Art, I’ve got news. Meet Jon McNaughton, political artist. Here’s a taster: The Forgotten Man. There’s one thing about bad art that I actually really like: it leaves no room for the imagination, it is always onedimensional, easy to explain and full of cliches. Nothing better than some good old fashioned bad art, after a stressful day.

When art meets propaganda, like in the art of Jon McNaughton (sounds like an onomatopoeia), we get a vicious mix of hyperrealism (see: Pyke Koch, Futurism, Speer), and underbelly politics. In this specific case: the defeat of the everyman (like in the painting above), the sweet joys of religious live (see here under, appropriately called He Loves Me Too) and the evils of socialism.

I always thought of Jesus being some kind of socialist himself, but I could be wrong here.

Anyway, Mr McNaughton is an important force in the right wing Tea Party, and bashing Obama in images is an strategy that can not be underestimated, just like the Shep Fairey image didn’t harm Obama’s campaign back in 2008.

The irony of it all, of course, is that the McNaughton art is so bad, so ridiculously subjective, so rural and so humourless, it becomes quite hilarious. Check the dudes’ website, a clip on youtube and oh, if you got $300000 spare cash, get yourself this one, One Nation Under Socialism. I really like it.